Het eerste koloniegeld van Veenhuizen.

Evenals in de strafkolonie Ommerschans en de vrije koloniën van Frederiksoord is ook in de (wees)kinder- en bedelaarskolonie Veenhuizen al snel eigen fictief geld aangemaakt. Ook hier werd geëxperimenteerd met eenzijdige metalen plaatjes van koper, messing en blik. Ook komen er weer kloppen voor. De catalogus van Schulman (1975) geeft er wel een indeling van maar nauwelijks illustraties. In dit artikel zijn de afbeeldingen en maten van de 48 munten uit de Nationale Numismatische collectie (NNC) verbonden met de catalogusnummers S 408 tm S 427 en varianten uit Schulman. De munten hebben maar hooguit zeven jaar gefunctioneerd: van 1825 tot de intrekking in december 1831. Parallel hieraan werden de papieren winkelbonnen ingevoerd, waarover in een eerder artikel is geschreven. In 1841 kwamen de nieuwe uniforme munten met gelijke voorzijde en verschillende achterkanten voor alle koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid, gemaakt bij van Maanen in Den Haag.

In Veenhuizen bevonden zich drie gestichten met de nummers 1, 2 en 3. Het waren vierkante gebouwen met een buitenmaat van ongeveer 145 meter en een grote binnenplaats. Het gebouw van het tweede gesticht, gebouwd voor bedelaars en sinds 1880 rijkswerkinrichting, is tegenwoordig het gevangenismuseum, de andere twee zijn afgebroken. Het kerkhof (aan de noordkant van het terrein) werd wel het vierde gesticht genoemd. “In 1823 werd het ‘etablissement’ Veenhuizen I gebouwd, bestemd voor wezen en arbeidershuisgezinnen. Vanaf februari 1824 stroomden de ‘weezen, vondelingen en verlatene kinderen’ toe. Vanaf 1825 werden ook in het 3e gesticht of Veenhuizen III weeskinderen gehuisvest. Weeskinderen werden in Veenhuizen geplaatst op grond van het (mega-)contract met de regering van 1 maart 1823. Ze werden door plaatselijke weeshuizen, die daar door de regering min of meer toe gedwongen werden, naar de kolonie gestuurd. In 1842 werd het derde gesticht bestemd voor bedelaars. Vrijwel alle wezen zaten vanaf toen in het eerste gesticht, met enkelingen in tweede of derde. Toen de staat in 1859 Veenhuizen en de Ommerschans overnam, ging de wezenopvang nog een jaartje of tien door”[1].

Alleen voor het tweede en derde gesticht is koloniegeld aangemaakt. Opvallend is dat in de NNC voor het eerste (wezen)gesticht papieren winkelkaarten (in drie kleuren) aanwezig zijn, ondertekend door adjunct-directeur J.Poelman, maar deze zijn nog niet nauwkeurig gedateerd. Er is duidelijk voortgebouwd op de ervaringen in Ommerschans en vooral Frederiksoord die in vorige artikelen zijn beschreven. De grote rechthoekige ponsoenen zijn weer te herkennen en de vrij kleine eenzijdige koperplaatjes. Het “basismodel” heeft ook weer drie regels: een ponsoen met 2.G of 3.G (het gestichtsnummer), een groot ponsoen met K.V (kolonie Veenhuizen) en een derde regel met de ingestempelde waarde in losse cijfers zonder C. De eerste twee regels zijn van achteren ingeslagen en dus bol, de waarde is als laatste van voren ingeslagen en dus hol. Van de zeven door Schulman vermelde waarden (40, 30, 25, 10, 5, 1, ½ ) ontbreekt de halve cent in de NNC in alle varianten. De variaties bestaan eerst en vooral uit de drie metaalsoorten koper (in verschillende diktes), messing en (alleen voor het derde gesticht) blik. Verder missen soms een of meer instempelingen. De laagste waarden (van 5, 1 en ½ ct) komen volgens Schulman ook voor zonder gestichtsnummer en ook zonder K.V. Ook kan hier de letter M zijn ingeklopt. Als we dit in een tabel proberen te vangen zien we (met de Schulman nrs in de vakjes, cursief = in NNC):

[1] Citaat overgenomen uit: http://www.drentsarchief.nl/zoekwijzer/50weeskinderenVH.html

Waarde

(cent)

metaal

Diameter

Gewicht

2e Gesticht

3e Gesticht

Geklopt met M

Zonder

Gestichtsnr

Zonder waarde

Alleen K.V

Zonder K.V

40

Koper

35,1

4,7

408

416

 

 

 

 

 

30

Koper

34,6

2,75

409

417

409b

 

 

 

 

25

Koper

30,5

4,9

410

418

 

 

 

 

 

20

Koper

32,6

4,1

 

419

 

 

 

 

 

10

Koper

27,5

1,35

412

420

 

 

 

 

 

5

Koper

25

2,0

413

421

 

424

 

427

 

1

Koper

22,1

0,99

414

422

 

425

423d z K.V

 

 

½

Koper

 

 

415

423

 

426§

 

 

415b

40

Messing

35,9

3,6

408a

416a

 

 

 

 

 

30

Messing

36

4,45

409a

417a

 

 

 

 

 

25

Messing

33

2,30

410a

418a

 

 

 

 

 

20

Messing

32

2,50

411a

419a

 

 

 

 

 

10

Messing

27,5

1,34

412a

420a

 

 

 

 

 

5

Messing

25,3

2,0

413a

421a

424a,

427a

 

427c KmV

427bis

421c§

1

Messing

23

0,90

414a

422a

423a

425a(a)

426a

425c KmV

423e z K.V

 

422c§

½

Messing

 

 

415a

 

 

 

423c§

40

Blik

35,7

2,37

 

416b

 

 

 

 

 

30

Blik

33,25

2,12

 

417b

 

 

 

 

 

25

Blik

30,5

4,89

 

418b

 

 

 

 

 

20

Blik

29,5

1,42

 

419b

 

 

 

 

 

10

Blik

27,1

1,37

 

420b

 

 

 

 

 

5

Blik

25

1,17

 

421b

427b

424b§

 

 

 

1

Blik

22,2

0,96

 

422b

 

425b

 

 

 

½

Blik

 

 

 

423b

 

 

 

 

 

Schulman is niet helemaal helder in zijn nummering. Wat doet bijvoorbeeld het paragraaf teken achter de halve cent bij 415, 415a en 423, 423a, 423b? En is 411 terecht in bovenstaande tabel weggelaten voor de missende 20 ct in koper? En 427a en b zouden afgeleid moeten zijn van 427 toch? En 423d en e lijken eerder centen.

De NNC.

  1. De basis
  2. Van de 48 in de NNC beschikbare munten uit deze groep zijn er 8 “basis”munten uit het tweede gesticht en 20 uit het derde. Er is geen enkele halve cent aanwezig. De andere 20 zijn varianten.

 

S408, MU-19973 2e gesticht 40 ct koper                  S410, HNM/18302 2e gesticht 25 ct koper 

35,12 mm 4,72 g                                                               30,5 mm 4,89 g

 

 

S421, MU-19977 3e gesticht 23 mm 2,07 g       S414a HNM-18304 messing 2e gesticht 22 mm 0,99 g

Dik resp dun muntplaatje. In beide gevallen is de waarde over het K.V ponsoen heen geslagen.

  1. S408, MU-19973 2e gesticht 40 ct koper                  S410, HNM/18302 2e gesticht 25 ct koperS421, MU-19977 3e gesticht 23 mm 2,07 g       S414a HNM-18304 messing 2e gesticht 22 mm 0,99 gS416b 1929-0103 40 ct blik 35,7 mm 2,37 g                    S421b 1979-0174 5 ct blik 25,5 mm 1,17 g
  2. Dik resp dun muntplaatje. In beide gevallen is de waarde over het K.V ponsoen heen geslagen.
  3. 35,12 mm 4,72 g                                                               30,5 mm 4,89 g
  4. Van de 48 in de NNC beschikbare munten uit deze groep zijn er 8 “basis”munten uit het tweede gesticht en 20 uit het derde. Er is geen enkele halve cent aanwezig. De andere 20 zijn varianten.
  5. De experimentenZoals hieronder zal blijken is het lang niet steeds duidelijk welke waarde de munten hebben waar geen waarde op is geplaatst. Het gaat echter steeds om klein geld.S424 5 ct koper 1978-0264 25,3 mm 2,05 g      S424a 5 ct messing 1978-0265 29,7 1,54 g klop MTwee exemplaren van S425c 1 ct messing zonder gestichtsnummer met holle resp bolle klop MS427 koper 1984-0328 18,9 mm 1,14 g              S427c messing 1978-0266 klop M 18,7 mm 0,76 gHeel curieus is deze zinken munt met alleen maar K.V erop. Hij staat niet in Schulman.Conclusies
  6. NNC 1979-0175 zink 27,5 mm, ca 2 g
  7. MU-03595 koper 22,4 mm 3,37 g. NNC meent hier 4.1 te zien en wijst naar Ommerschans, maar komt dan ook niet verder. Ik neig naar een mislukte K.V, ook al door het rechthoekig ponsoen.
  8. 1917-0070 21,85 mm 0,99 g, 1929-0109 21,71 mm 0,87 g
  9. S424b§ 5 ct blik 1976-0465 25,2 1,06 g              S425b 1 ct blik 1976-0053 23 mm 1,19 g
  10. S423d koper 1984-0327 18,8 mm 1,21 g                         S423e messing HNM-18308 19,2 mm 0,67 g
  11. Er zijn dus maar liefst 20 varianten opgenomen in de NNC! Deze zijn ongetwijfeld nadien speciaal verzameld, het ligt niet voor de hand dat in de normale omloop zoveel afwijkingen voorkwamen. Hoewel: in museum De Koloniehof (zie foto) ligt ook een aantal experimenteermunten (maar allen met klop M).
  1. De experimenten zijn voornamelijk met de messing en koperen exemplaren gedaan van 5 ct en lager. Er bestaan meer exemplaren van elk type.
  2. Het lijkt er op dat de klop M diende om de proefmunten waarvoor dat mogelijk was alsnog gangbaar te verklaren.
  3. Gewichten en diktes variëren sterk per exemplaar. Meestal is de instempeling op de achterzijde te zien, maar soms ook nauwelijks of niet. De diameter heeft wel enige relatie met de waarde van de munt. Er is dus geen verband tussen waarde en metaalinhoud. De koperen exemplaren zullen dan door de messing zijn vervangen en die weer door de blikken exemplaren. Het blik is niet verzilverd zoals in Ommerschans.
  4. Als een regel is weggelaten zijn de andere regels uitgevuld naar het midden. Het zijn dus geen misslagen maar doelbewuste experimenten. Men kan zich bijvoorbeeld hebben afgevraagd wat de zin was van vermelding van het gestichtsnummer als er toch al K.V op stond.
  5. Terwijl in de vrije koloniën van Frederiksoord alleen hele en halve centen zijn gemaakt zijn in Veenhuizen ook hogere waarden geslagen, ook in denominaties van 20, 30 en 40 ct die in Nederland verder niet voorkwamen.
  6. Ondanks de pogingen van Schulman en de tabel hierboven is het niet goed mogelijk gebleken alle aanwezige exemplaren goed in te delen. Daarvoor is de variatie te groot.Wiebe Nijlunsing
  7. Alle foto’s zijn afkomstig van de Nationale Numismatische Collectie, De Nederlandsche Bank
  8.  

Contactgegevens

Adres

Oude Gracht 1
9341 AA Veenhuizen

RSIN Nummer: 800.649.953

www.gevangenismuseum.nl

Telefoon

0592 - 388264

Stuur een e-mail