Goedkopere cola, langer televisie kijken en meer recreatie: het waren enkele van de eisen die in de avond van 4 november 1971 om 20:20 uur door circa 40 opstandige gedetineerden in het Huis van Bewaring in de stad Groningen werden geuit. De chaos in het Huis was gigantisch: ramen werden kapot geslagen, slierten brandend wc-papier hingen wapperend buiten het gebouw,  vanaf de galerijen werd meubilair, flessen, aardappels, wasknijpers en vele andere voorwerpen gegooid, brandblussers werden leeg gespoten, personeel werd opgesloten, deuren werden geforceerd.

 

 

 

 

 

 

 

De opstand

De avond leek eerder rustig te verlopen. Een deel van de gedetineerden was samen in de kerkzaal en keek televisie of was aan het schaken, dammen, tafeltennissen of kaarten. Een ander deel, vooral jongere gedetineerden, ging naar de contactbijeenkomst van de gevangenispredikant. Daar werd naar een tv-uitzending over Jimmy Hendrix gekeken. Nadat de uitzending was afgelopen om 20 uur, bleven de jongeren nog even napraten. Dat “napraten” hield in dat zij de plannen voor de opstand verder aan het uitwerken waren. Tijdens het luchten was al afgesproken dat deze avond de opstand zou plaatsvinden.

Om 20:20 uur werd iedereen weer naar de cellen gebracht. Echter, enkele jongeren stortten zich op de bewaarder, die de post op het vlak bezette, en ontfutselden zijn sleutels. De bewaarder werd daarna opgesloten. Daarna werden nog vier bewaarders opgesloten. Tegelijkertijd begonnen de vernielingen. Gedetineerden die nog op hun cel zaten, werden bevrijd. Een enkele voegde zich bij de opstandelingen. De directeur en politie werd door het personeel gealarmeerd en ook de gestichtswacht in Veenhuizen werd gebeld om assistentie. De jongeren probeerden de gedetineerden in de kerkzaal te bewegen ook mee te doen aan de opstand, maar die hielden zich afzijdig.

Inmiddels hadden de jongeren het dak weten te bereiken. Beneden stonden tientallen politiemensen en met karabijnen bewapende gestichtswachters. Honderd nieuwsgierigen keken inmiddels toe. Aan het eisenlijstje werden de volgende punten toegevoegd: laat 25 man vrij, zorg voor vijf auto’s met genoeg benzine en garandeer een vrije aftocht voor de gedetineerden en gijzelaars en vrij contact met pers, politieke partijen en de minister of officier van Justitie. Als de eisen niet werden ingewilligd, dan zouden de opstandelingen één van de bewakers van het dak gooien. Het hoofd van de politie dreigde daarop met hard ingrijpen.

Langzaam aan kwamen er meningsverschillen tussen de opstandelingen onderling over hoe nu verder. Na toezeggingen van de directeur dat na overgave geen geweld zou worden gebruikt, waren onderhandelingen mogelijk en kon de opstand worden beëindigd. Om 0:30 uur was de situatie weer onder controle. De schade was enorm. Dertien opstandelingen werden uiteindelijk naar de beruchte Rode Pannen in Veenhuizen verhuisd.

 

 

 

 

 

De afloop

De Staatssecretaris van Justitie, de heer J.H. Grosheide, stelde een commissie in, die de opdracht kreeg de aanleiding van de opstand te onderzoeken. Deze commissie kwam onder leiding van de heer J.J. Woltman, vice-president van het Gerechtshof in Leeuwarden, te staan. De precieze aanleiding voor de opstand is nooit duidelijk geworden. De opstand was wel gepland, maar niet degelijk georganiseerd of weloverwogen. Ook de opstandelingen zelf hadden eigenlijk geen idee waarom ze de opstand nou precies wilden. Sommigen wilden uitbreken of meer materiële verbeteringen, maar ze gaven ook toe dat deze klachten, dan wel wensen, niet in verhouding stonden tot de omvang van de actie.

Met de nieuwe Beginselenwet Gevangeniswezen in 1953 kwam in de Nederlandse gevangeniswezen steeds meer de toon te liggen op het resocialiseren van gedetineerden en kwam de nadruk te liggen op een humane en een correcte bejegening. Vertrouwen in plaats van dwang, was het ideaal. In de praktijk waren deze veranderingen soms moeilijk te behappen voor het personeel, dat gewend was met veel meer dwang en autoriteit te kunnen optreden.

Ook uit de conclusie van de commissie Woltman komt dit naar voren. Zo verliep tussen directie en het bewakingspersoneel van het Huis van Bewaring in Groningen de communicatie niet goed. De directie creëerde het nieuwe humane beleid, maar had de ideeën daaromtrent niet goed overgebracht aan het personeel, dat het beleid moest uitvoeren. Het bewakingspersoneel had het idee dat ze weinig steun van de directie kreeg bij de uitvoering van het zware werk. Op strafrapporten werd volgens het bewakingspersoneel door de directie zo weinig adequaat richting gedetineerde gereageerd, dat bewakers het gevoel hadden alleen tegenover de gedetineerden te staan.

Omdat de bewakers niet wisten in welke mate zij gesteund werden door de directie, waren zij onzeker over het handhaven van voorschriften. Dat er opeens een inspraakcommissie voor gedetineerden met de directeur was, zonder dat de bewakers hierin gehoord werden, versterkte deze onzekerheid. Bewakers schreven daarop daarom bijna geen strafrapporten meer en spraken gedetineerden ook niet voldoende aan op hun slechte gedrag. Ook meenden sommige personeelsleden, zoals de gevangenispredikant, die sterke vermoedens had dat er iets op handen zijnde was, dat het beter was de directie niet in te lichten over zijn vermoedens, omdat hij de vertrouwensband met de gedetineerden niet wilde schaden. Dat het personeel geen meldingen over de situatie bij de directie deed, deed de situatie uiteraard geen goed.

Daarbij werden nieuwe gedetineerden slecht ingelicht over de gang van zaken in het huis en vaak had het personeel had geen tijd voor een praatje. Doordat zowel personeel als gedetineerden niet goed wisten wat van hun verwacht werd, ontstond er een soort niemandsland. De gedetineerden buitten vervolgens deze situatie uit: zij voerden allerlei opdrachten niet of heel erg traag uit, scholden bewakers uit en namen dreigende houdingen aan. Er werd vervolgens niet of onvoldoende ingegrepen, noch werden gedetineerden ter verantwoording geroepen. Zo´n situatie kan de gedetineerden het gevoel gegeven hebben dat een actie als een opstand best uitvoerbaar zou kunnen zijn.

Ook in andere Nederlandse gevangenissen waren er in de jaren ’60 en ’70 diverse opstanden en rellen. Vaak wordt ook hier als één van de redenen genoemd dat er een slechte communicatie tussen directie en personeel was. Terecht stelt de commissie Woltman dat er pas een regimewijziging kan plaatsvinden, als het personeel er ook mee kan werken. Een soort poldermodel avant la lettre dus. Of het “poldermodel” alle onrust had weggenomen, durf ik niet te zeggen, maar het zal de situatie geen kwaad gedaan hebben.

 

Bronnen: 

  1. Franke, H. (1990). Twee eeuwen gevangen : Misdaad en straf in Nederland. Utrecht: het Spectrum.
  2. Woltman, J.J. (1972). Rapport van de commissie Woltman.  Den Haag: Ministerie van Justitie
  3. “„Wij gooien een bewaker omlaag!” Opstandige Groninger gevangenen muiten en vernielen …als een tornado…”. “Nieuwsblad van het Noorden”. Groningen, 05-11-1971. Geraadpleegd op Delpher op 18-07-2018, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011016182:mpeg21:a0001
  4. “Dominee: „Ik heb storm zien aankomen” Mr. Grosheide wil onderzoek naar opstand”. “Limburgsch dagblad”. Heerlen, 06-11-1971. Geraadpleegd op Delpher op 18-07-2018, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010555885:mpeg21:a0108
  5. “Opstandelingen in Huis van Bewaring: tijgers van (wc)papier Procureur-generaal verklaart oproer in Groningen vanuit generatiekloof ‘Geen grieven, geen motief voor opstand'”. “Nieuwsblad van het Noorden”. Groningen, 05-11-1971. Geraadpleegd op Delpher op 18-07-2018, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011016182:mpeg21:a0052

Contactgegevens

Adres

Oude Gracht 1
9341 AA Veenhuizen

RSIN Nummer: 800.649.953

www.gevangenismuseum.nl

Telefoon

0592 - 388264

Stuur een e-mail