Al jaren ligt ie, onopgemerkt en haast vergeten, in het depot: een zakhorloge van het merk Volo, model Brevet 53806. De wijzers missen en gezien de viezigheid en beschadigingen op de wijzerplaat, is ook de glasplaat al jaren weg. De ketting zit er nog wel aan. En aan de ketting hangt een zilveren herinneringspenning van het staatsbezoek in 1888 van de Duitse keizer Wilhelm II aan de Italiaanse koning Umberto I . Door het kaartje aan het horloge weten we dat de laatste eigenaar Abraham Tichelaar was, die op 14 augustus 1935 in Veenhuizen aankwam. Eerlijk is eerlijk, in financiële termen is het object niet zeer kostbaar. Bij “Tussen Kunst en Kitsch” zou het zeker in de categorie kitsch vallen, waarbij de penning wellicht nog iets oplevert. Vermoedelijk is het horloge met andere nooit opgehaalde voorwerpen bij een magazijnopruiming in ons depot beland.

Toch was Abraham Tichelaar bij leven zeker geen onbekende in Veenhuizen. In 1890 werd hij voor landloperij veroordeeld door de rechtbank van Amsterdam. Na acht dagen hechtenis, werd hij voor drie maanden ´opgezonden´ naar Veenhuizen . Als beroep gaf hij aan dat hij kleermaker was. Abraham werd in het eerste gesticht van Veenhuizen geplaatst. Het was zijn eerste veroordeling voor landloperij, maar nog vele zouden volgen.

Veenhuizen rond 1890
Wie rond 1890 door de rechter tot een verblijf in Veenhuizen werd veroordeeld (“opgezonden”), kwam aan in een bouwput. In 1886 gingen de drie bedelaarsgestichten over naar het gevangeniswezen en werden tot rijkswerkinrichting benoemd. Er kwam een sterkere scheiding tussen het personeel en de veroordeelden. Niet langer woonde het personeel aan de uiteinden van een gesticht, maar kreeg eigen behuizing nabij de gestichten. In tegenstelling tot gevangenissen, waar de cellulaire (of eenzame) opsluiting de norm was, werd in de Rijkswerkinrichting wel het gemeenschapsregime gehandhaafd. De veroordeelde mannen werkten, sliepen en aten gezamenlijk.
In lange zalen verbleven de mannen. Elke ´verpleegde´ had een af te sluiten kistje, waar hij onder meer zijn eetgerei en kleding in bewaarde. Slapen deden de mannen in grof linnen hangmatten. Alleen zij die oud of zwak waren, sliepen in kribben. De hangmatten werden ’s morgens omhoog gehesen en dan werden de tafels op schragen met banken naar voren geschoven, zodat men daar kon eten. ’s Avonds werden de tafels en banken weer aan de kant geschoven en de hangmatten weer omlaag gehaald.
De veroordeelde mannen werden geen gevangene, maar verpleegde genoemd. Het idee was dat gevangenen werden gestraft, maar dat de verpleegden genezen dienden te worden van hun kwaal van landlopen en bedelen. Door onder een strikt regime hard te werken, zouden zij na afloop als goed burger weer in de maatschappij kunnen terugkeren.
De verpleegden kwamen met de trein aan in Assen, alwaar ze de trekschuit naar Veenhuizen namen. Bij aankomst, wat ’s avonds was, werden de verpleegden gebaad en kregen ze gestichtskleding aangemeten. Dit pak was van bruin pilo met een opvallend groene kraag.
Werkzaamheden van de verpleegden vonden plaats in de landbouw, bosbouw of het fabriekswezen. Omdat er rond 1890 veel bouwactiviteiten plaats vonden, waren ook veel verpleegden hier werkzaam. De werktijden waren afhankelijk van het seizoen. In de winter werkt men van 8-11:45 uur en van 13-16 uur. In de zomer van 6-11:45 uur en van 13-18 uur. Tussen de middag werd warm gegeten volgens een vast weekmenu.
In 1890 waren er 3051 verpleegden in Veenhuizen.

Zo’n 25 jaar eerder, om precies te zijn op 19 augustus 1865 werd Abraham in het Zeelandse Kruiningen geboren als zoon van Cornelis Marinus Tichelaar en Johanna Pieternella Sijs. Na wat verhuizingen, waarbij de familie zelfs tijdelijk in België woonde, vestigde het gezin zich in 1877 in Rotterdam, waar vader kapper was. Abraham was toen 12 jaar. Als twintigjarige werd hij gekeurd voor de militaire dienst. Met zijn korte postuur, slechts 1.53 meter, werd hij afgewezen .
Zoals gezegd, zijn eerste gevangenisstraf was niet zijn laatste. In de archieven vinden we veroordelingen voor landloperij bij onder meer de rechtbanken van ’s-Gravenhage , ’s-Hertogenbosch en Breda . Na de opzendingen in de Rijkswerkinrichtingen van Hoorn en Veenhuizen, was hij vaak maar even vrij man. Dit was een veel voorkomend probleem bij bedelaars en landlopers. Ze lieten zich nogal eens expres oppakken. Vooral als de winter kwam, dan hoefden ze tenminste niet op straat te leven.
In één van de perioden dat Abraham vrij was, ontmoette hij Janna Puplickhuijsen (1871-1941), met wie hij op 4 november 1896 trouwde. Op 9 mei 1897 werd in Rotterdam hun oudste zoon Abraham geboren . Toen de jonge Abraham één jaar oud was, werd de oude Abraham weer veroordeeld voor landloperij. Hij kwam op 17 oktober 1898 aan in Veenhuizen. Bij deze aankomst is een signalementskaart met foto van hem gemaakt, die zich nu in het Drents Archief bevindt.  

Veenhuizen rond 1900
Rond 1900 worden onder architectuur van Willem Cornelis Metzelaar twee nieuwe gestichten gebouwd, tegenwoordig bekend als “Esserheem” en “Norgerhaven”. Het oude eerste gesticht werd afgebroken en het tweede gesticht werd ingericht als werkgesticht
De oude zalen (met de hangmatten) werden in de nieuwe gestichten vervangen door verblijfzalen op de begane grond en slaapzalen op de eerste verdieping. In de verblijfzalen stonden losse tafels op schragen en losse banken en was er voor elke verpleegde een open kastje met haken aan de muur. Zo hadden de verpleegden geen gelegenheid meer om in hun kastje verboden goederen te verbergen. In de slaapzalen stonden alkoven, een soort ijzeren kooien van 1,85 * 0,9 meter, waarin een hangmat hing en een plankje voor kleding met op de grond een kamerpot. De alkoven gingen ’s nachts op slot.
Een ander verschil met 1890 was, dat bij aankomst de verpleegden niet alleen gebaad en gekleed werden, maar ook dat er van hen een portretfoto werd gemaakt ( zowel van voor als en profil). Deze werd op een signalementskaart geplakt en op de signalementskaart werden diverse lichaamskenmerken genoteerd. Dit systeem wordt de bertillonage genoemd en gaat uit van het idee dat ieder mens unieke lichaamskenmerken heeft. Aan de hand van die kenmerken zouden personen gemakkelijker geïdentificeerd kunnen worden.
In 1900 waren er 3281 verpleegden in Veenhuizen.

Waar hij op deze kaart nog aangeeft dat hij getrouwd is, staat zeven jaar later in de inschrijvingsregisters van de Bredase gevangenis dat hij ongehuwd is. Toch werden in 1905 zoon Hendrik, in 1907 Christiaan, in 1908 dochter Johanna Grada en in 1911 de jongste Adrianus geboren. Abraham was niet bij alle bevallingen aanwezig, omdat hij geregeld weer vast zat. Bij de geboorte van Johanna was zelfs niet bekend waar hij was.

Op 19 augustus 1935 komt Abraham voor de laatste keer aan in Veenhuizen. Zijn zakhorloge met daaraan vastgehecht de penning moest hij inleveren bij het magazijn van de Rijkswerkinrichting. Het was waarschijnlijk het enige waardevolle, dat hij nog had. De magazijnmeester bewaart het horloge tot het moment dat Abraham op 16 augustus 1938 weer vrij zal komen.

Veenhuizen rond 1935
In 1935 verbleven er niet alleen verpleegden, maar ook andere gevangenen in Veenhuizen. Met de komst van de noodwet van 1918 hoefden deze gevangenen niet in naar cellulaire gevangenissen, maar mochten hun straf in Veenhuizen, waar het gemeenschapsregime gold, uitzitten. De noodwet kwam er, omdat er in de gevangenissen ruimtegebrek was en in de rijkswerkinrichtingen het aantal verpleegden terug liep.
Ook het vervoer van Assen naar Veenhuizen werd aangepast: de verpleegden en gevangenen gingen niet langer met de trekschuit, maar met een speciale autobus naar Veenhuizen. Ook de signalementskaarten werden door nieuwe opsporingsmethoden niet meer gemaakt.
In 1935 waren er 1286 verpleegden.

Echter vrij komt hij niet. Bijna drie maanden later, op 7 november 1935 om half drie in de voormiddag, overlijdt Abraham . Zijn enige bezit bleef achter, om jaren later toegevoegd te worden aan de collectie van het Nationaal Gevangenismuseum.

Alina Dijk, conservator Collectie en Kennismanagement

Bronnen: 

Contactgegevens

Adres

Oude Gracht 1
9341 AA Veenhuizen

RSIN Nummer: 800.649.953

www.gevangenismuseum.nl

Telefoon

0592 - 388264

Stuur een e-mail