Uit een rode knipselmap, standplaats onbekend: Kunsthistoricus Leon Wielders: ‘Verborgen museum van Veenhuizen moet worden gered’

Donderdag 17 november 1977, door Thea Detiger

VEENHUIZEN
Deze week worden in Veenhuizen de nieuwe lo­nen voor gedetineerden ingevoerd, die tijdens de stakingen vorige maand zijn toegezegd. Behalve een hoger dagloon kun­nen de werkende gevangenen voortaan ook in aanmerking komen voor extra toeslagen, afhankelijk van hun cijfers voor goed gedrag en vlijt.
Tijd en geld zijn in tegen­stelling tot vroeger duidelijk een rol gaan spelen binnen de tralies. Ook gevangenen doen niets meer voor niets. Het rijk zal flink moeten gaan betalen voor het mon­teren van telefoons, repare­ren van postzakken, en was­sen van gevangeniskleding, en andere werkzaamheden die worden verricht in Veenhuizen.

Vakwerk
Met de aandacht voor het werk in de gevangenis, is de belangstelling toegenomen voor een onbekend en onof­ficieel museum in Veenhui­zen. In een lekke betonloods heeft een inmiddels gepen­sioneerde ambtenaar uit pure liefhebberij een enor­me collectie bijeengebracht van staaltjes vakwerk uit de gevangenis. De hele werkza­me geschiedenis van Veenhuizen van 1824 tot heden wordt er uitgebeeld. Er staan werktuigen die ge­bruikt werden op de omlig­gende boerderijen en cilin­derbureaus en archiefkas­ten, die rond 1900 werden vervaardigd voor ministe­ries. Maar daarnaast hebben in de collectie ook stalen slaapkooien en dwangbuizen van vroeger hun plaatsje gekregen. Het is een uniek en boeiend gevangenismuseum geworden , maar helaas onbereikbaar voor belangstellenden!
Het museum ligt in de scha­duw van Nederlands zwaarst bewaakte gevange­niscomplex Norgerhaven en iedere argeloze bezoeker wordt dan ook met een kara­bijn tot andere gedachten gebracht. „Museum achter tralies”, noemt kunsthistoricus Léon Wielders (33) het. Hij heeft de afgelopen maanden zijn uiterste best gedaan van het gevangenismuseum een echt museum te maken, dat voor publiek toegankelijk is.

Waardevol
„Het probleem is dat het museum onder justitie valt en het gebouw op verboden terrein ligt”, zegt hij. „De collectie is veel te waardevol om te laten vervallen in het lekke en slecht verwarmde gebouw, waarin zij nu is uit­gestald. Bovendien zou heel Nederland kennis moeten kunnen nemen van de ge­schiedenis van Veenhuizen. In samenwerking met het Provinciaal Museum Dren­the heb ik een dringend be­roep gedaan op de staatsse­cretaris van justitie om het museum in een beter ge­bouw onder te brengen, dat verder van de gestichten ligt en voor iedereen toeganke­lijk is. Pas als het een echt, openbaar museum is, kun­nen we subsidie aanvragen bij CRM en de collectie in de staat brengen die hij ver­dient”.

Léon kwam in mei in aanraking met het museum, dat officieel niet eens be­staat en in een gebouw huist dat op papier al vijf jaar is afgebroken. Via de zoge­naamde TAP-regeling (Tij­delijke Arbeidsplaats voor werklozen) kreeg hij er een baantje aangeboden door de directeur van Veenhuizen, drs. W. J. A. Pannebakker. Zijn taak was in een half jaar de collectie te inventari­seren en catalogiseren.

Zonde
„Naarmate ik me meer ging verdiepen in de ontwik­keling van Veenhuizen van tehuis voor landlopers vroe­ger naar de strafinrichtingen van nu, ging het museum me steeds meer boeien. Ik vond het zonde dat alleen groepen die iets met justitie of geschiedenis te maken hebben, toestemming kon­den krijgen om de collectie te bekijken.
Het is heel leuk te zien hoe het dorp Veenhuizen altijd verweven is geweest met justitie. Rond de eeuwwisseling kon Veenhuizen zichzelf geheel bedruipen. Ieder gesticht had acht bijbehorende boerderijen, waar de gevangenen hun eigen aardappelen en groenten verbouwden. Er was een eigen bakkerij, brandweer, en noem maar op.
De bewoners van Veen­huizen liepen in tegenstel­ling tot nu vrij rond over het terrein. Maar dat kon ook in die tijd, want uitbreken deed men niet zo gauw.
Veenhuizen was voor de meesten een „thuis” en vooral in de winter deed iedereen zijn uiterste best on­der de pannen van de inrich­ting te blijven”.

Half september stuurde Léon een uitgebreid rapport over het unieke museum naar het ministerie van jus­titie en in een brief verzocht hij de staatssecretaris drin­gend de omstandigheden van het museum te verbete­ren. Hij stelde voor de col­lectie naar een ander gebouw over te brengen, dat verder van de gestichten ligt en voor het publiek toegan­kelijk kan worden gemaakt, en een nieuwe bestuurs­vorm te kiezen waardoor het museum niet langer onder justitie alleen zou vallen.

Belang
Hoewel de directie van het Provinciaal Museum Dren­the zijn verzoek ondersteun­de en ook leden van Gedepu­teerde Staten het belang van deze lokaal historische col­lectie in Veenhuizen inzien, is er nog steeds geen beslis­sing gevallen. Secretaris-ge­neraal Tulkens heeft deze maand tijdens een informeel bezoek aan de strafinrichtin­gen wel het museum beke­ken, maar geen toezeggingen gedaan wat betreft betere voorzieningen.

Léon vreest dat de zaak op de lange baan zal worden ge­schoven en met de winter voor de deur ziet hij de col­lectie in de lekke loods ver­slechteren. Deze week was hij voor het laatst in Veen­huizen en hij betreurt het dat de toekomst van het mu­seum nog steeds onzeker is. „Het museum heeft hard geld nodig om de collectie op te knappen. Jammer dat ik mijn werk niet heb kunnen afmaken”, zegt hij.


 

Contactgegevens

Adres

Oude Gracht 1
9341 AA Veenhuizen

RSIN Nummer: 800.649.953

www.gevangenismuseum.nl

Telefoon

0592 - 388264

Stuur een e-mail