In de notities van hoofddirecteur ir. J.L.M. Weijers van de rijkswerkinrichting Veenhuizen lezen wij het volgende over de invoering van het nieuwe strafwetboek van 1886 en de gevolgen voor Veenhuizen: Vanaf 1 september 1886 was het namelijk niet meer mogelijk zich vrijwillig in de gestichten te laten opnemen.

Wetsbepalingen

De artikelen van dit wetboek, welke op de bestraffing der bedelarij en landlooperij betrekking hebben en die heden nog van toepassing zijn, luiden:

art 432. Met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen wordt gestraft:
1e, als schuldig aan bedelarij, hij die in het openbaar bedelt;
2e, als schuldig aan landlooperij, hij die zonder middelen van bestaan rondzwerft;
Het derde lid van dit artikel betreffende souteneurs, werd toegevoegd bij de wet van 20 Mei 1911. S 130.
Art. 433. Bedelarij of landlooperij, gepleegd door drie of meer personen boven den leeftijd van zestien jaren, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden.
Art. 434. De schuldige aan eene der in de beide vorige artikelen omschreven overtredingen kan bovendien, zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoogste drie jaren.

De bijkomende straf van plaatsing in een rijkswerkinrichting,- voor ten hoogste één jaar, – voor openbare dronkenschap, bij derde en volgende herhaling wordt bepaald in artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht van 1886.

Artikel 32 geeft nadere bepalingen omtrent de bijkomende straffen.
De wet van 14 April 1886 S. 62 – de zoogenaamde Beginselen-wet – berustend op art. 22 van het Strafwetboek’ stelt vast mét de beginselen van het gevangeniswezen, óók die volgens welke de verpleegden behandeld rijkswerkinrichtingen bestuurd zullen worden. Naar deze beginselen wordt het regime der verpleegen dagverdeeling, voeding, onderwijs, loon, werk en werktijden, tucht en godsdienstige verzorging algemeenen maatregel van inwendig bestuur.

De thans vigeerende, nieuwe gevangenis-maatregel werd vastgesteld bij K.B. van 4 Mei 1932 ingevoerd op 1 Januari 1934; hij verving de Alg. Maatr. van inwendig bestuur van 31 Aug. 1886 S.159 die loop der jaren eenige malen gewijzigd werd.

Het Centraal College voor de Reclasseering heeft het vraagstuk betreffende de wens van wijziging van het strafstelsel ten aanzien van bedelaars en landloopers nader in studie genomen en van deze studie in Januari 1932 een verslag aangeboden aan den Minister van Justitie. In dit verslag worden adviezen gegeven inzake de behandeling der bedelaars en landloopers in de gestichten, wordt gewezen op de verschillende soorten van bedelaars en zwervers en worden vooral ingrijpende wijzigingen ten aanzien van de bestraffing voorgesteld. Tot eenig resultaat hebben deze adviezen nog niet geleid.

 

Wettelijke bepalingen gevangenis-straf in gemeenschap

 

De executie van de straffen der smokkelaars te Veenhuizen had de gevangenissen niet voldoende ontlast, men zocht naar een uitweg en deze werd gebaand door de wet van den 22sten November 1918 S. 607 waarin de bepalingen werden vastgelegd ter verkrijging van meer plaatsruimte voor de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf, militaire gevangenisstraf, hechtenis, militaire detentie en voorloopige hechtenis en waarvan art. 1 luidt:” Iedere gevangenisstraf, militaire gevangenis-straf daaronder begrepen, kan in gemeenschap worden ondergaan.”

Art. 3, 2e bepaalt dat de straf ten uitvoer kan worden gelegd behalve in alle gewone en bijzondere strafgevangenissen ook: “op andere plaatsen door Onzen Minister van Jutitie aan te wijzen.”

Art. 4 bepaalt dat samenvoeging der categorieën waarvoor het gesticht tot dusver bestemd was met die welke thans tengevolge dezer wet daarin kunnen worden opgenomen, zooveel mogelijk vermeden moet worden.

 

Gevangenen

 

Deze wet maakte ’t mogelijk ook gevangenisstraffen te Veenhuizen te executeeren. Reeds den 16den December 1918 kwamen de eerste gevangenen. Zij werden te V. I. ondergebracht, waar door ’t vertrek der smokkelaars op 2 November naar V. III., plaats vrij gekomen was. De aantallen gevangenen te Veenhuizen aanwezig op 31 December van de jaren 1918, 1919, 1920, 1921 en 1920 bedroegen 229, 1109, 941, 225 en 112 man. Daar V.I. niet voldoende plaats bood, werd vanaf 18 September 1919 ook V. III. voor hen aangewezen. Om verder in het gebrek aan ruimte te voorzien bouwde men in 1920 achter het eerste gesticht een zestal barakken voor de huisvesting van een gedeelte der gevangenen, zoodat de verpleegden weer het gesticht zelve betrekken konden.Einde 1920 werd een gedeelte en in December 1921 de rest van de verpleegden-bevolking van V. III. dat gesloten werd, naar V. I. overgebracht.Uit de executie van gevangenisstraf te Veenhuizen is de “Openlucht-gevangenis” gegroeid. Werd vóór Februari 1923 bij de gevangenen geen selectie toegepast, – de eenige voorwaarde was, dat de gevangenis-straf niet langer dan driejaren duren mocht -, nadien werd het anders. Het aantal gevangenen werd tot 80 teruggebracht en ze werden in vier groepen verdeeld.
Daarenboven zouden ze voortaan – in tegenstelling tot vroeger – uilsluitend in de “Open Lucht” werken.
Bij voorkeur kwamen veroordeelden, geschikt voor boerenwerk in ’t landbouwbedrijf voor opname in aanmerking.
Het aantal barakken achter V. I. werd tot vier teruggebracht; ze omvatten de verblijfszalen voor de openluchtgevangenis, de school, de gestichts-bibliotheek e.d.

Collectie: A2611

Contactgegevens

Adres

Oude Gracht 1
9341 AA Veenhuizen

RSIN Nummer: 800.649.953

www.gevangenismuseum.nl

Telefoon

0592 - 388264

Stuur een e-mail